Ode à ma soeur – by Aïda G

door harohnny

Blij straks even niet aan m’n scriptie – die nog maar voor goed en wel de helft voltooid is en dus nog wat aandacht zal opeisen – te moeten denken, wacht ik op B. Om de tijd te doden – de spanning/het enthousiasme te onderdrukken – tracht ik een poging te ondernemen het Frans van m’n zusterlief te testen. E. First class strever met een IQ van 130, een passie voor Frans – ik troost me met de gedachte dat het nog maar haar eerste jaartje is dat ze geïndoctrineerd wordt met dat koeterwaals – én door en door slijmbal bij moederlief. Okee. Ze heeft stijl. Zo houdt ze van mijn vintage-jasjes en schoenen, durft ze al eens een gitaar in handen nemen en haar MP3 is oververzadigd van Metallica, Pendulum, The Libertines, The Smiths en zo veel meer.

Weggezonken bij de gedachte dat ik eigenlijk wel trots mag zijn op het resultaat van het enkele jaren bij mijn zus inpeperen van goede muziek, kledingstijl en andere levensbelangrijke zaken wijst E er mij op dat ik van de gewone ‘c’ een ‘c’ cedille – ç – moet maken bij ‘ça va’. Erg. Van een acht jaar jonger wezen moeten horen dat je ‘ça va’ fout schrijft. Ik ben dan ook eenmaal slachtoffer van de maatschappij waarbij we een msn-gesprek beginnen met ‘cva?’ zonder ‘ç’. Vergeef mij. Vergiffenis krijg ik. Maar toch ben ik ietwat gekrenkt in mijn eer. Zwakke ik. Waar blijft B?

Mijn oog valt op het boek dat naast de zetel ligt. ‘De Vreemdeling’ – een boek van Camus, geschreven rond WOII – lonkt naar mij. Een existentialistische parabel. Ik hou er van – zelden las zulke zware materie zo gemakkelijk. Als een soort filosofische, maar lucratieve trektocht tussen de diepzinnige harde werken door. Het verhaal van Meursault, een sterveling zoals u en ik die een moord pleegt – misschien minder zoals u en ik, maar goed. Door ‘ongelukkige omstandigheden’ – right – was het uit domheid, gekte, door een slag van zijn baas of gewoon omdat hij ’t zot in de kop kreeg, dan? Nadat Camus de moord scene beschrijft, verhuist hij met de lezer mee naar de rechtszaal, waar het proces plaatsvindt. Mooi. Strak. Geleuter volgt. De conclusie is ietwat bedroevend. De boodschap lijkt zo teleurstellend. Zal ik dan werkelijk ook ter dood veroordeeld worden omdat ik claim niet in God te geloven – kijk, God, met een hoofdletter! –

Ik word gered. Door een brommelend geluid dan nog. B is daar. Mijn zus kijkt op. Haar ogen maken een alternerende beweging tussen het schamele autootje op onze oprit en mijn gezicht. Vragend kijkt ze me aan waarnaar ze haar blik vervolgt naar B die uit zijn auto stapt en met enige genade en clementie het portier sluit. Alsof de auto ieder moment uit elkaar kan vallen.

Haar ogen krijgen pas werkelijk een aanzienlijk formaat wanneer ik B binnenlaat en hij haar begroet met ‘Bonjour. Comment ça va?’ Waarop ze B van repliek bedient: ‘ça va bien, et toi?’. Ze gniffelt en fluistert, ‘Vergeet geen krulletje aan de ‘c’ !’.

Advertenties